Waar een raketinterceptor al snel honderdduizenden dollars kost tegen een aanvalsdrone van enkele honderden dollars (zie hoofdstuk 2.3), bieden goedkopere interceptor-drones — met of zonder netvangst — een middel om die rekensom te herstellen.
De cijfers maken de omslag concreet (Lowy/Ryan, 2026): een Patriot-onderscheppingsraket kost meer dan $3 miljoen, een NASAMS-raket ruim $1 miljoen, terwijl een Oekraïense interceptordrone $1.000–5.000 kost — met een onderscheppingsgraad boven de 90% (maart 2026). Oekraïne bouwde inmiddels 100.000 interceptordrones en levert er zo'n 1.500 per dag, geïntegreerd met radar voor (semi-)automatische lancering.
Oekraïne werd in 2025–2026 wereldleider in interceptordrones, met een autonome eindfase en opschaling naar duizenden per maand. Belangrijk: het plafond van deze goedkope interceptors is nu vooral een snelheidslimiet (~300 km/h) — snellere jet-drones ontsnappen eraan en dwingen tot schaarse, dure luchtverdedigingsraketten. Van hieruit loopt een lijn naar autonome counter-air tegen bemande toestellen (zie hoofdstuk 9.2), al is dat tegen een snel manoeuvrerend jachtvliegtuig aanzienlijk moeilijker.
Voor de analist betekent dit een nieuw platformtype om te herkennen en te volgen; voor aircrew betekent het dat toekomstige counter-UAS-inzet mogelijk zichtbaar en hoorbaar dichter bij het eigen toestel plaatsvindt dan bij klassieke luchtafweer. Beide leerpaden komen hier samen: de dreiging en de verdediging ertegen ontwikkelen zich in hetzelfde tempo.